Le Quatorze Juillet

Sometimes truth is stranger than fiction

Eén van de bijwerkingen van de morfinepleisters die ik sinds dinsdag tegen de pijn krijg, is dat je er abnormale gedachten en dromen van kunt krijgen.
Ik weet het niet hoor. Zou het nog abnormaler kunnen dan het nu is?

Met die sonde in mijn neus zie ik eruit als een kruising tussen een (heel magere) olifant en een alien. En de pleister die de slang op zijn plek houdt, lijkt op een snavel.
Ik praat heel moeizaam (gelukkig heeft S. deze keer heel wijselijk niet gezegd: “Nu weet je hoe je gepraat zou hebben als je een mongooltje was geweest…”
Als ik wakker word ligt er ongeveer een liter kwijl op mijn kussen.
Sinds donderdag voert S. mij met behulp van een spuit via mijn neus een extra calorierijke vloeistof die nog het meest aan pannenkoekbeslag doet denken. En als hij per ongeluk veel lucht in de spuit pompt, moet ik een boertje laten…
Vanmiddag heb ik een meet & greet met negen specialisten tegelijk in de Daniel den Hoed Kliniek die allemaal even aan mij willen ‘snuffelen’ om te kijken wat ik precies heb. Om te voorkomen dat de artsen mij alleen als een ziekte en niet als een mens zien, heb ik me extra leuk aangekleed.

Het wordt 14 juli, een vrijdag. Het is de Franse nationale feestdag als Anke het bovenstaande heeft geschreven.

Thuis hebben we een fotootje in een lijstje waarop Anke staat met een lampion in haar hand en een versierd hoofddeksel op haar blonde krullen. We zijn in Zuid-Frankrijk, in de zomer van 1980. Het is de vakantie waarin Joop Zoetemelk de Tour zal winnen en waar Anke voor de eerste keer haar Jip en Jannekeboek zal kwijtraken. Volgens haar is het meegenomen door “Ireem”, een Frans kindje dat ook op de camping is en waar ze vaker mee speelt. Samen met andere kinderen loopt ze in een feestelijke lampionoptocht ter gelegenheid van Le Quatorze Juillet. Ze draagt een roze met blauw geruit jurkje, een paarsig vestje en loopt met haar blote voeten in leren sandalen. Zo meteen zal het vuurwerk worden ontstoken, maar Anke ligt dan in het campingbedje op een terras. Ze slaapt door alles heen.

Maar voor haar en voor ons is het vandaag allesbehalve een feestdag. We staan stijf van de spanning en slapen slecht, we zijn bang. Je kunt je niet voorstellen wat er met je gebeurt als je zoiets moet meemaken.

Je kind heeft kanker. Hoe moet het nu verder met haar, met ons? Wat staat iedereen nog te wachten? We hebben geen idee, gelukkig maar, en leven tussen hoop en vrees. En dat zal bijna een jaar lang zo blijven. Maandag zullen we te horen krijgen wat Anke nou precies mankeert en, belangrijker nog, wat men eraan denkt te doen.

Boven maakt Anke voor het eerst gewag van het speeksel dat ze niet meer goed kan wegslikken. Dit zal in de toekomst alleen maar erger worden. We zullen haar de komende tijd dan ook bijna altijd gewapend met o.a. een rol keukenpapier zien.

Op zondag neemt ze al een voorschot op de behandeling en het vervolg daarna. We lezen dat ze vol goede moed is. De teneur van het stukje is: Oké, ik heb dan wel kanker, maar de doktoren gaan er wat aan doen. Natuurlijk zal het niet allemaal meevallen, maar ik zal me er wel doorheen slaan. Het is de positieve houding die ze uitdraagt totdat blijkt dat ze niet meer beter wordt. En zelfs daarna weet ze nog de positieve dingen te benoemen en ervan te genieten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.